Aanval op Vlissingen

De aanval op Vlissingen werd een zeer belangrijk onderdeel van de gehele operatie.

De omstandigheden op zee voor de kust van Westkapelle waren zeer ongunstig. Het maakt niet uit in welk jaargetijde je de aanval inzet, de zee is hier altijd wild, schreef de Royal Navy in een verslag. Daarom was het ook uitgesloten dat in Westkapelle gebruik gemaakt kon worden van kleinere landingsvaartuigen

Dit was iets wat bij Vlissingen niet speelde. Hier was de zee een stuk rustiger en de oversteek was beduidend korter van Breskens naar Vlissingen dan van Oostende naar Westkapelle. Het laatste zou zeker 12 uur duren.

Uiteindelijk viel de definitieve beslissing dat er een directe frontale aanval op Vlissingen zou worden uitgevoerd. Zodra de eerste groep commando’s aan land was, zou de 155e infanteriebrigade snel volgen om deel te nemen aan de strijd.

Wanneer mocht blijken dat de aanval op Westkapelle niet door zou gaan, zou die eenheid, de No4 Special Service Brigade die de aanval zou uitvoeren, in Breskens aan land komen, om een dag later in Vlissingen deel te nemen aan de verovering van Walcheren.

Vergelijkbare plannen waren er ook zodra de aanval op Vlissingen geannuleerd moest worden om wat voor reden dan ook. Het No4 Commando vertrok dan naar Oostende om vervolgens naar Westkapelle te varen.

Naarmate D-Day naderde werd duidelijk dat de Vlissingse operatie onder alle omstandigheden doorgang zou vinden.

Er was echter een voorwaarde om het plan te doen slagen. Voordat de landing een feit zou zijn – uur H – moest en zou de Royal Air Force een alles overtreffend bombardement uitvoeren. Een bombardement zó zwaar dat de Duitse troepen zich vanzelf zouden overgeven.

Duidelijk was ook dat de eerste groep commando’s zou bestaan uit leden van de No4 Special Boat Section. Aan hen de taak om het strand veilig te stellen, de eerste weerstand uit te schakelen en daarna de rest van de troepen aan land te loodsen.

Mocht nu blijken dat een luchtbombardement niet mogelijk was, dan nam het geschut aan de Zeeuws-Vlaamse kant Vlissingen onder vuur.  De artillerie bestond uit vijf Field Regimenten en drie Medium Regimenten. Van de laatste was er één altijd toegewezen aan het No4 Commando. Door middel van radio kon het No4 Commando om artilleriesteun vragen indien nodig.  Mocht blijken dat er nog niet voldoende vuurkracht aanwezig was, stonden ook de Heavy en Super Heavy Regimenten stand-by.

Het vuurplan gaf aan in welke richting en met welke interval vuur moest worden gegeven. Ieder regiment kreeg een doel aangewezen. Dit doel stond duidelijk vast door middel van een nummer – wat weer aangegeven stond op de kaart van Vlissingen. Duidelijk was dat de artillerieondersteuning tot in de puntjes was geregeld.

Geef een reactie